Le passé composé

In het handboek op p100, p115 en p203 vind je meer info over de passé composé.

We gebruiken de passé composé om een actie in het verleden aan te duiden. Eenmalig of in elk geval niet vaak voorkomend.

Deze tijd heet passé (verleden) composé (samengesteld), omdat hij over het verleden praat en omdat we hem vormen door 2 werkwoorden samen te stellen: être of avoir gaan het oorspronkelijke werkwoord vooraf.

De keuze voor être (zijn) of avoir (hebben) lijkt voor ons niet altijd logisch, omdat het in het nederlands soms net andersom is.

Meestal gebruiken we ‘avoir’. Maar een klein aantal, vaak gebruikte werkwoorden, wordt met ‘être’ vervoegd. Een lijst hiervan vind je terug op p203.

Het oorspronkelijke werkwoord zetten we vervomgens in de participe passé, bijvoorbeeld ‘travailler’ wordt ‘j’ai travaillé’. Twijfel je over de vervoeging, vanaf p210 vind je de vervoeging van verschillende werkwoorden terug.

Dames, opgelet!

Wanneer een werwoord met ‘être’ wordt vervoegd, dan neemt het oorspronkelijke werkwoord het geslacht over van het onderwerp (je, tu, il, la crevette,..). Met andere woorden, de mannen zeggen ‘je suis allé’, terwijl wij dames moeten zeggen ‘je suis allée’. Wij zijn gegaan wordt ‘nous sommes allés‘ (in het meervoud, mannelijk) tenzij je het hebt over een groep met enkel vrouwen: ‘nous sommes allées‘. Ils sont fous, ces français !

De taak ivm het boek ‘une journée ordinaire’, vertellen over de dag die je in het boek hebt beleefd, doe je in de passé composé omdat het over een specifieke dag gaat, eentje die je hopelijk niet regelmatig beleefd.

Succes ermee!

Bisous caro

Laisser un commentaire

Concevoir un site comme celui-ci avec WordPress.com
Commencer